19.10.2010

Een glas waaruit ik dronk

 

 

4 ever.jpg

HALVERWEGE, DE DOOD

 

Er verstreek geen week of wij spraken

de doodstille nacht aan, vonden blindelings

code en toon. Ik sprak over lezen en leven,

ik hoorde van het verre voortbestaan -

 

’t was avond, ’t was laat, een zacht zoemen

opende verten, kamers die ik kende, een stoel

waarin ik zat, een glas waaruit ik dronk,

al in geen honderd jaar is afstand een bezwaar.

 

Mijn lieve kalme vriend, wie heeft dat ene wel

heel onbenullige adertje in jouw nog lang niet grijze kop

kapot geprikt, die dunne wand gescheurd en al dat

doodgemoedereerde bloed door jouw hersens

 

heen gejaagd, je liefde en je kalmte verzopen

tot een hopeloze black pudding, die had ik niet besteld?

 

Een man stierf op een donderdag in mei,

rond middernacht. Zijn lijk lag onderaan

de trap en lag daar al toen ik die nacht

mijn laptop afsloot en mijn glas vol schonk.

 

Het duurde maanden. Omstreeks dat trouwe uur

klonk in zijn lege almaar kouder wordend huis

dat vriendelijke en uitnodigende, nieuwsgierig makende -

want geen zee en geen hemel, geen dalen nabij.

 

Ik wil een toestel in zijn graf, dat bel ik dan,

zodat, al kan hij niet meer spreken, hij weet

dat ik hem spreken moet. De wormen die hem slopen

een maal per dag aan het schrikken maken kan.

 

Michael Zeeman

 

Uit
Halverwege, de liefde; halverwege, de dood
Optima : cahier voor literatuur en boekwezen
jaargang 2001

 

09:45 | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.