22.03.2009

Het wandelende vuur.

Hugo Claus Gedichten 1948 - 1993


De moeder

Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.

(Mijn moeder, gevangen in haar vel, 
Verandert naar de maat der jaren.

Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.

Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts, 
Haar gewrichten waren jonge katten,

Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar 
En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.

'Je bent mij ontgroeid,' zegt zij traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
als een vrouw zonder mond.)

Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik was de genode maar de dodende gast.

En nu, later, mannelijk word ik u vreemd. 
Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: 'Hij is 
De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De honden in mij wakker.'

Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert 
Niet naar mij terug. van u herstel ik niet.

Hugo Claus

Uit
Gedichten 1948- 1993
De Bezige Bij
Amsterdam, 1994

 

 

10:20 | Commentaren (0) | Tags: man

De commentaren zijn gesloten.