08.06.2008

Stil zonder broekje na het noodweer.

Dziewczyny...

Verleden

1
Het bos aan het water, en reusachtige stilte.
De gekuifde fuut in een inham van het meer,
talingen op het midden van het heldere diep.
En hij die hier een huis liet bouwen,
denkend aan het rooien van de eiken wildernis,
de stammen die over de Niemen zouden vlotten,
aan de dukaten, ‘s avonds bij kaarslicht geteld.

2
De essen van het park zijn stil na het noodweer.
Een meisje rent over het paadje naar de steiger,
trekt de jurk over haar hoofd, gooit haar op het bankje
(ze draagt geen broekje, al scheldt die Française nog zo),
en er is genot van de beroering van het zachte water,
wanneer ze, zelf geleerd, op z’n hondjes zwemt,
naar het lichte midden, waar geen bomenschaduw is.

3
Een gezelschap neemt plaats in het bootje,
heren en dames in badkostuums. Zo zal
het jongetje dat een korte levenslijn heeft
op zijn hand hen onthouden. ’s Avonds leert hij
de tango. Mevrouw Irena leidt hem met het lachje
van een rijpe vrouw die een jonge man inwijdt.
Achter de deur naar de veranda huilen de uilen.

Czesław Miłosz


vertaling Gerard Rasch

Uit
Memento
Pegasus
Amsterdam, 2005.

21:45 | Commentaren (0) | Tags: poolse poezie

De commentaren zijn gesloten.