11.04.2008

Voorjaar weemoedsvol

 Spindotterbloem

Voorjaar langs de Schelde

Het was een Zondag vreemder vreugde rijk
Toen beiden wij door voorjaarslanden gingen
Langs drassig weiland en begroeiden dijk…
Was niet ons min verwondering gelijk
van kinderen wien de oogen opengingen?

Hoog klonk der merels echotrillend lied,
Helblij geluid in het nog wintersch landschap,
Zoodat de liefde daagde in het verdriet.
Hoe voelden wij, die vreugd steeds eenzaam liet,
In beider ziel een blijvende verwantschap.

Zoals voor hen die, die zoekend de eeuwigheid,
Te trotsch zijn om wat sterven moet te aanhooren,
Leek ons heel vreemd het vlieden van den tijd,
Als ons toeruischte van zoo eindloos wijd
Het leid des beiaards uit den grijzen toren.

En de avond daalde weemoedsvol en zacht.
Wellicht voor de eerste maal werd ik niet droever
Als, mijmerij die steeds ontaardt in klacht,
Ik hoorde ruischen in den blauwen nacht
De sombre Schelde langs haar groenen oever.

Een nevel doofde ’t laatste gloeien uit
Dat schemerstralen op de wereld lieten…
’t Werd stil alom; alleen dit één geluid:
De kreet eens vogels zoekend nog naar buit
In ’t gele veld der dor-bepluimde rieten.


Jan van Nijlen

Uit
Verzamelde gedichten 1903 - 1964
G. A. van Oorschot
Amsterdam, 1964.

 

 

17:45 | Commentaren (0) | Tags: en nu

De commentaren zijn gesloten.