27.10.2005

Willem in 1983 -> www.wfhermans.net

 

 

U verwijt de Vlamingen...

 

...dat zij slecht vertaald Frans schrijven. Dat ze menen dat er een Algemeen Beschaafd Nederlands kan bestaan naast het echte Nederlands. Anderzijds wordt mij in Vlaanderen altijd ingepeperd, hoewel ik voor het Derde Programma van de BRT enkele jaren geleden een hele uitzending lang het standpunt heb verdedigd dat de vele Vlaamse negentiende-eeuwse auteurs een minder gekunsteld taal schreven (hoewel rijk aan particularismen), een taal simpeler en helderder dan het dominees-Nederlands waartegen Multatuli en de Tachtigers in opstand kwamen. In de zomer van '78 logeerde ik bij Geert Lubberhuizen in Ierland. Buiten word ik vroeg wakker, en toen bladerde ik in een uitvoerige Nederlandstalige bloemlezing op zoek naar citaten (bestemd voor titels van boeken) en werd ik getroffen door erg veel Vlaamse dichters uit de vorige eeuw zoals M. Doolaeghe:

    Mijn hart verliest de lust tot zingen

    Sinds weemoed mij heeft aangetast.  

Van Jan Brester:

    De dwaze doet dit spade

    De wijze doet het vroeg. [i]  

Van Theodoor Van Rijswijck:

    Maar de winter

    Dra verschenen

    Jaagt het najaar

    Voor zich henen

    En de regens

    Werden stenen

    En de wateren

    Kristal.  

Nou da's heel simpel en veel Noord-Nederlandse tijdgenoten hadden daar vinger en duim bij kunnen aflikken als ze zoiets hadden kunnen maken. De gezusters Loveling, veel gesmaad, schreven een gedicht, Moeders krankheid, zeer cynisch. Recht voor z'n raap, oprechte volkspoëzie. Julius de Geyter schreef Op Zetternam's Graf, die naam alleen al! of van A.L. De Rop:

    Een vlucht van bonte kraaien

    Strijkt neder in het bos

    En nog één enkele vlinder

    Zweeft wapperend over 't mos.

 

Da's toch heel mooi! Een wapperende vlinder. Ook mooi van Jan van Beers het lange gedicht De zoon van de metseldiender, dat is mij bijzonder aan het hart gebakken omdat de zoon Willem heet, net als ik.

Ik herhaal hier wat ik toen over de Brt verklaarde, dat wie een proefschrift over mijn boeken zou schrijven, het volgende als motto zou moeten gebruiken - van Karel De Geldere:

    Hij draagt de wereld rond

    Op zijn verwenste schouders

    De nooit ontlaste vloek

    Van zijn misprezen ouders.  

Wat hebben de Vlamingen dan te klagen over mijn gebrek aan  waardering voor hun literatuur?

 

 

UIT EEN INTERVIEW MET Willem Frederik Hermans

Snoecks 1983



[i] Gisteren stuitte ik via internet op een interview uit 1983 van Snoecks met W.F. Hermans, dat door Fredy de Vree wordt ingeleid.
Graag wil ik bij dat interview een kanttekening maken.

Naar aanleiding van de vraag "U verwijt de Vlamingen...." vertelt Hermans, dat hij getroffen was door citaten van Vlaamse dichters uit de negentiende eeuw. Daarbij haalt hij onder andere twee dichtregels van Jan Brester aan. Blijkbaar ging hij ervan uit dat deze dichter ook een Vlaming was. Niets is echter minder waar: hij was honderd procent Amsterdammer.

Jan Brester Azn. (1805-1862) was de oudste broer van mijn overgrootvader. Enige jaren geleden heb ik uitgebreid onderzoek gedaan naar onze familie van vaderskant, waarbij ik juist over deze verre oom veel te weten ben gekomen.
In zijn tijd was hij in Amsterdam namelijk een vrij bekende figuur. Hij was makelaar in koffie en thee, maar beoefende daarnaast de dichtkunst. Zijn gedichtjes en gedichten verschenen van 1828 tot 1837 in de "Nederlandsche Muzen-Almanak". Zijn bekendste waren de "IJsstukjens". Onder zijn letterkundige vrienden telde hij Beets en Potgieter. Verder was hij lange tijd secretaris van de "Maatschappij tot Nut van 't Algemeen" te Amsterdam en medeoprichter en permanent secretaris van de "Vrijdagsche Vereeniging" die "het oefenen in het discussiëren" ten doel had.
Na zijn overlijden werden zijn verzamelde gedichten "op wens van zijn vrienden en vereerders" gebundeld en uitgegeven "ten voordeele van de Vereeniging voor Ziekenverpleging".
In "De Nederlandsche Spectator" van 27 december 1862 werd hij met een artikel herdacht, later ook in de "Levensberichten v.d. Mij. der Ned.Letterkunde" van 1864 (p. 386). In het "Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek" (1927, deel 7) wordt vrij uitgebreid aandacht aan hem besteed.

Dit alles wilde ik U graag even vertellen.
Met vriendelijke groet,

HK (geboren Brester)

oktober 2003

HK laat weten dat de hierboven geciteerde regels de laatste twee zijn van het gedicht:

 

        Leven

Wij reppen onze schreden, 
    En scherpen ons gezigt, 
En zoeken hier beneden 
    Wat verre vóór ons ligt; - 
Verzuimen en verzaken,
    Wat ons omringt, wel niet,
Maar hijgen toch en haken    
    Naar vrolijker verschiet.    
Lacht ons een heuvel tegen, 
    Met welig groen beplant, -  
Wij vinden steile wegen, 
    En distels in het zand:  
En lokt het dal beneden           
    Ook door zijn digt gewas,-  
Dáár smoren onze treden    
    in loos bedekt moeras;   
En als met minzaam vleijen  
    Der bergen top ons trekt, -                  

Wij vinden woestenijen

    Met digte sneeuw bedekt.

Een dwaalspoor vóór de schreden,

    En de eindpaal ongewis, -

Zoo zoeken wij beneden

    Wat niet beneden is.

Tot we eind'lijk, duizendwerven,

    Bedrogen en misleid,

Vermoeid zijn van het zwerven

    Om niets dan ijdelheid.

Dan slaan wij 't oog naar boven,

    En zien der heemlen pracht,

Vertrouwen en gelooven, 

    Dat dáár het heil ons wacht.

Dan bidden we om genade,

    Ons zelven niet genoeg. -

De dwaze doet dit spade;

    De wijze doet het vroeg

 










21:29 | Commentaren (0) | Tags: land, dakraam

De commentaren zijn gesloten.